Oude Testament

'Messias' heeft in het Oude Tes­ta­ment niet op één ver­los­ser be­trek­king, zoals in het Nieuwe Tes­ta­ment.

Het is een bij­voeg­lijk naam­woord dat aan ver­schil­lende per­sonen wordt ge­kop­peld die tijdens een in­wij­dings­dienst voor een bepaald doel waren gezalfd.

Met name geldt dit voor de hoge­pries­ter, de koning en soms ook een profeet.

De zalving sym­bo­li­seert in zijn die­pe­re be­te­ke­nis de ver­kiezing en de wij­ding door God Zelf.


powered by FreeFind

Groter dan David

Ca. 200 jaar na de glo­ri­euze re­ge­ring van koning David en zijn zoon Salomo zag de pro­feet Jesaja voor­uit naar een heer­ser die boven alle aardse na­ko­me­lin­gen van David uit zou steken.

Het was dui­de­lijk dat de be­lof­te van de Here iets veel gro­ters in­hield dan dat wat onder David en Salomo was ver­we­zen­lijkt.

Vervolgstudie Voorbeeld

les 13 – De Messias en de Messiaanse Tijd

Inleiding

VervolgstudieDe meeste christenen verbinden het woord 'messias' meteen met Jezus Christus als de vervulling van de bijbelse 'messiaanse' beloften. De namen 'Christus' en 'christen' zijn ontleend aan de Griekse vertaling van 'messias' en 'messiaans'.

Voor de joden is deze christelijke belijdenis echter om verschillende redenen aanvechtbaar. En gedurende de afgelopen 2000 jaar is het een van de struikelblokken in de betrekkingen tussen joden en christenen geweest. In deze les wordt de lezer eerst met een stelling geconfronteerd die pas later wordt uitgewerkt: zeggen dat Jezus 'de Messias' was, is zowel te weinig als te veel gezegd.

Laten we niet vergeten dat de eerste discipelen van Jezus - allemaal joden - er geen flauw benul van hadden wie Hij nu eigenlijk was. Wat ook duidelijk is, is dat geen enkele vroege christelijke geloofsbelijdenis stelt dat Hij de Messias is. Hiermee wil niet gezegd zijn dat de eerste discipelen van Jezus dit ontkend zouden hebben. Maar wel dat zij zich kennelijk hebben gerealiseerd dat Hij meer was, en misschien zelfs wel minder!

Dit is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt wat een breed spectrum aan verwachtingen er gekoppeld was aan de messiaanse idee in de Bijbel en in het jodendom ten tijde van de eerste christenen. Christenen zijn meestal wel op de hoogte van de verschillende aspecten van Jezus als de Messias. Maar de vele joodse denkbeelden over de Messias kennen zij natuurlijk veel minder goed. In deze les willen we er dan ook een aantal van presenteren.
De vele verschillende verwachtingen dienen zich al aan zodra je het woord 'messias' gaat onderzoeken en je beseft dat het geen allesomvattende beschrijving is van de eschatologische figuur van wie men verwacht dat hij Gods beloften over de eindtijd zal vervullen.

1. DE NAMEN VAN DE MESSIAS

1.1 Messias

Het woord messias komt van het Hebreeuwse mashiach of het Aramese mashicha, een lijdend deelwoord van het werkwoord mashach, dat 'zalven' betekent. Messias betekent dus 'de gezalfde'. In het Grieks wordt het woord vertaald met christos, waarvan ons woord 'Christus' is afgeleid.

We moeten echter wel opmerken dat 'messias' in het Oude Testament niet op één verlosser betrekking heeft, zoals in het Nieuwe Testament. Het is gewoon een bijvoeglijk naamwoord dat aan verschillende personen wordt gekoppeld die tijdens een inwijdingsdienst voor een bepaald doel waren gezalfd. Met name geldt dit voor de hogepriester, de koning en soms ook een profeet. De zalving symboliseert in zijn diepere betekenis de verkiezing en de wijding door God Zelf.

De eerste personen die zo werden gezalfd, waren Aäron en zijn zoons (zie Ex. 30:30; 40:13-15; Lev. 4:3, 5; 6:20, 22; vgl. 2 Makkabeeën 1:10). Van deze ordening is later afgeleid dat de hogepriesters gezalfd moesten worden als zij hun gewijde ambt aanvaardden (zie punt 1.7).

De volgende categorie gezalfden waren de koningen. De profeet Samuël zalfde Saul, de eerste koning (1 Sam. 10:1), en diens opvolger David (1 Sam. 16:3, 12-13; zie voor Salomo 1 Kon. 1:39). Daarom worden beiden 'gezalfden des Heren' genoemd, want de profeet trad slechts op als Gods vertegenwoordiger (1 Sam. 24:7, 11; 26:9, 11, 16, 23; 2 Sam. 19:21). Net als bij Aärons hogepriesterschap werd het koningschap van David en zijn opvolgers als goddelijk en eeuwig beschouwd (2 Sam. 7:13, 16).

Ook profeten werden gezalfd (zie 1 Kon. 19:15-16; Jes. 61:1-3; Ps. 105:15; punt 1.3 hieronder).
Als we in oudtestamentische teksten dus van een 'messias' horen, gaat het meestal om iemand die door God en tot God is gewijd en niet om een bovennatuurlijk redder in de toekomst.

Heel dikwijls bestaat er echter wel een verschil tussen het ideaal en de realiteit. Dit geldt zowel voor het hogepriesterschap als voor het gewijde koningschap van David. Nog maar een jaar of 200 na de glorieuze regering van koning David (1008-968 v.Chr.) en zijn zoon Salomo (968-928 v.Chr.) zag de profeet Jesaja vooruit naar een heerser die met kop en schouders boven alle aardse nakomelingen van David uit zou steken. Het was duidelijk dat de belofte van de Here iets veel groters inhield dan zelfs datgene wat er onder David en Salomo was verwezenlijkt.

En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï (i.e. de vader van David) en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN... Want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken... Dan zal de wolf bij het schaap verkeren... Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans Mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. En het zal te dien dage geschieden, dat de HERE wederom Zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van Zijn volk... En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde (Jes. 11; vgl. 9:1-7).

Deze profetie laat zien dat de vrede die er ten tijde van David heerste, en de wijsheid van Salomo slechts voorproefjes waren van de ware vrede, rechtvaardigheid, gerechtigheid en wijsheid die God voor de toekomst had voorbereid. Niet alleen zou het beste uit het verleden worden hersteld, een nieuwe realiteit van volkomen volmaaktheid in harmonie met de wil van God zou het verre te boven gaan. En dit zou niet alleen Israël betreffen, maar de gehele wereld en de gehele schepping.

Profetieën als deze bevatten het zaad van wat we samenvattend 'messiaanse verwachtingen' noemen. Zelfs in de meest duistere tijden putten de mensen er hoop uit. En de latere turbulente tijden van politieke en geestelijke wanhoop en verval hebben de messiaanse hoop juist nog levender gehouden. De wreedheid van het leven was niet in staat om de levende hoop op de spoedige of latere verwezenlijking van dit heerlijke ideaal uit te blussen (zie ook punt 3.2).

De idee van Gods gezalfden als Zijn instrumenten van heiligheid, rechtvaardigheid en vrede werd voortdurend gedwarsboomd. In de tweede eeuw v.Chr. zat er geen afstammeling van Isaï/David op de koninklijke troon en diende er geen nakomeling van Aäron als hogepriester. De laatste hogepriester die kon zeggen dat hij een 'zoon van Aäron' was, Onias III, werd in 175 v.Chr. tijdens de wrede bezetting van Judea door de Syrische heerser Antiochus IV Epiphanes afgezet. De ontwijding van de tempel door Antiochus en zijn fervente pogingen om het jodendom door het heidense hellenisme te vervangen leidden tot de geslaagde Makkabese opstand. Maar de Makkabeeën en de Hasmonese dynastie na hen herstelden het koningschap van het huis van David niet. En ook het priesterschap kwam niet terug waar het hoorde: bij de nakomelingen van Aäron. In plaats daarvan grepen zij zelf de geestelijke en wereldlijke macht over het volk. De heerser werd zowel koning als hogepriester.

Daarom waren de vrome joden, bijvoorbeeld de Essenen en de Farizeeërs, ondanks de glorieuze overwinning op de Syriërs toch sterk tegen deze nieuwe heersers gekant. Het zal duidelijk zijn dat er aan het Davidische koningschap en het Aäronitische priesterschap nu voorgoed een eind was gekomen. Er werden geen koningen of hogepriesters meer gezalfd. In plaats daarvan werd de aloude plechtigheid vervangen door een ceremoniële troonsbestijging: het aantrekken van de ceremoniële kleding die bij het ambt hoorde.

Kortom, er was geen 'messias', geen gezalfde meer in Israël. Dit zou de achtergrond van de woorden in Daniël 9:26 kunnen zijn, waar staat dat "een gezalfde zal worden uitgeroeid". Het verval blijkt ook uit 1 Makkabeeën 14:41, waar staat dat toen Simon de Hasmoneeër het hogepriesterschap ontving (142-135 v.Chr.), de clausule "totdat er een ware profeet in Israël komt" werd toegevoegd. Wat dit ook betekende, het is wel duidelijk dat men het gigantische verschil tussen het ideale, door God bestuurde koningschap c.q. priesterschap en de harde realiteit besefte. Wat bleef, was de hoop op een 'totdat', op een vervulling in de toekomst van het voorzegde ideaal: de komst van een door God Zelf gekozen gezalfde, een ware 'messias'.

VRAGEN:

Elke les (hoofdstuk) eindigt met Goed/Fout-vragen, zoals:

G F 03. In Jezus' tijd werden hogepriesters niet langer gezalfd.
G F 09. De Bijbel geeft precies aan wanneer de Messias zich zal openbaren. 
G F 19. Jezus heeft niet alle messiaanse profetieën vervuld.

Er staan ook meerkeuze-vragen in:

1. Hoe wordt in de joodse traditie de lijdende messias genoemd?
a. de zoon van David
b. de zoon van Jozef
c. de zoon van God

5. Hoe wordt de Aramese vertaling van de Bijbel genoemd?
a. de pentateuch 
b. de septuaginta 
c. de targoem

15. Wie is volgens de joodse traditie de lijdende knecht uit Jesaja 53?
a. de messias
b. het joodse volk
c. Mozes

Als u alle vragen van de complete Bijbelstudie beantwoordt en ter correctie opstuurt, ontvangt u na enige tijd een studiecertificaat uit Jeruzalem.